Het onbenut kiezerspotentieel van het CDA (1971-2023
Samenvatting
Het is voor het CDA een veel groter electoraal probleem dat kerkgaande kiezers niet meer vanzelfsprekend CDA stemmen dan dat het aandeel kerkgaande kiezers is gedaald. De hernieuwde koers van het CDA biedt mogelijkheden om een groter potentieel aan te boren. Als de partij erin slaagt om het thema normen en waarden te revitaliseren en het te agenderen als het centrale maatschappelijke probleem, geeft dit de partij een uitgelezen kans om de vele kerkgaande katholieken, nietkerkgaande gelovigen, en zelfs niet-christelijke kiezers, weer aan de partij te binden.
Doorlopende discussie over de C
In 2011 schetste politicoloog Kees van Kersbergen de structurele uitdaging van het CDA: ‘De “natuurlijke” achterban van een religieuze partij krimpt als kerklidmaatschap en kerkgang achteruitgaan en het politieke belang van religie onder trouwe kerkgangers afzwakt.’1 Hij onderscheidt twee mogelijke verschuivingen die het CDA onder druk zetten: enerzijds het aandeel kerkgangers en gelovigen in de samenleving, en anderzijds de bereidheid van die kerkgangers en gelovigen om op het CDA te stemmen. Onder de aanname dat de ontkerkelijking en de secularisering van stemgedrag onherroepelijk leiden tot een neergang van het CDA, is de discussie over de betekenis en relevantie van de C in de naam van het Christen-Democratisch Appèl (CDA) een immer populair onderwerp van gesprek. Waar het CDA van oudsher sterk geworteld is in christelijke gemeenschappen, en christelijke waarden en tradities, staat het karakter daarvan in de partij al sinds oprichting ter discussie.
Van Kersbergen onderscheidde vier richtingen in deze discussie: (1) revitalisering van een christelijk-sociale koers, (2) omvorming naar een seculier conservatisme, (3) aanscherping naar een meer fundamentalistisch christelijke koers, en (4) nadruk op communitarisme en gemeenschapszin. Het leidde in het verleden meermalen tot een koersstrijd tussen het partijbestuur en de politieke top. Ook recente discussies in dit blad echoën deze discussie. Zo pleitte Hans Vollaard onlangs nog voor het schrappen van de C, omdat het christelijke geloof geen uniforme boodschap zou verkondigen en mensen zou afschrikken.2 Anderen roepen recent juist op tot een versterking van de C, omdat de christelijke waarden bij uitstek een antwoord zouden vormen voor de grootste uitdagingen van deze tijd.3
Dit artikel heeft geenszins de ambitie dit debat te beslechten. Wel wil het meer duidelijkheid bieden over de stille aannames over de rol van religie als oorzaak van de structurele neergang van het CDA. We zoeken uit in hoeverre die daling in verband kan worden gebracht met enerzijds de ontkerkelijking van de samenleving, en anderzijds de ontzuiling van het stemgedrag. We zijn niet de eersten die dat doen.4 Toch zijn er goede redenen om dit opnieuw te onderzoeken. Ten eerste dateert het laatste van deze onderzoeken uit 2012 en is er sindsdien veel veranderd binnen het CDA. Ten tweede kunnen we de analyses verdiepen. De eerdere studies hebben laten zien dat het belangrijk is om onderscheid te maken tussen kerkgaande en niet-kerkgaande gelovigen. Wij maken verder onderscheid tussen katholieken en protestanten, en daarbinnen tussen regio’s. Ten derde vertrokken de eerdere studies vanuit één enkel ijkpunt (veelal de vroege jaren zeventig) om de effecten van ontkerkelijking en ontzuiling te onderzoeken. Wij bekijken daarentegen vier ijkpunten (1971-1972, 1986, 1998, 2006), en laten zien in hoeverre ontkerkelijking en ontzuiling sinds die vier momenten hebben bijgedragen aan het electorale verlies van het CDA in recente jaren.
Dit artikel biedt meer duidelijkheid over de stille aannames over de rol van religie als oorzaak van de structurele neergang van het CDA
Onderzoeksopzet
Voor ons onderzoek maken we gebruik van enquêtegegevens uit het Nationaal Kiezersonderzoek, dat al sinds 1971 elke Tweede Kamerverkiezing wordt georganiseerd. Het NKO bevat onder andere vragen over stemgedrag, kerklidmaatschap en kerkgang. We kunnen met deze data in alle jaren nagaan wat het aandeel kerkgaande en niet-kerkgaande gelovigen daadwerkelijk was. Dat doen we voor de laatste twee verkiezingen (2021 en 2023), en voor vier eerdere ijkpunten die verschillende periodes uit het CDA-verleden illustreren: 1971-1972 (kort na de inzet van de ontzuiling), 1986 (de periode-Lubbers), 1998 (de herbezinning tijdens Paars), en 2006 (de periode-Balkenende).
Om het belang van ontkerkelijking te berekenen, simuleren we het zetelaantal voor het CDA als het aandeel kerkgaande gelovigen stabiel zou zijn gebleven sinds elk van deze vier ijkpunten (gegeven het stemgedrag van de verschillende groepen kiezers in 2021 en 2023). Om het belang van ontzuiling voor stemgedrag te berekenen, simuleren we dat de kerkgaande gelovigen in dezelfde mate op het CDA zouden stemmen als in de vier ijkjaren (gegeven de grootte van de groepen kerkgaande en niet-kerkgaande gelovigen in 2021 en 2023). Uit deze simulaties leren we hoeveel zetels het CDA recent gehaald zou hebben zonder verdergaande ontkerkelijking en ontzuiling.
Ontkerkelijking en ontzuiling
Laten we de analyse stapsgewijs opbouwen. Eerst simuleren we uitsluitend het aandeel kerkgaande kiezers en hun stemgedrag. Figuur 1 toont de uitkomsten voor 2021 (linkerpaneel) en 2023 (rechterpaneel). De zwarte balken tonen het aantal zetels dat het CDA volgens het Nationaal Kiezersonderzoek zou hebben behaald. De donkergrijze balken tonen wat de uitslag was geweest als het aandeel kerkgaanden op het niveau was gebleven van het ijkjaar. Het is logisch dat de invloed van ontkerkelijking op de neergang van het CDA sinds dat ijkjaar afneemt naarmate het ijkjaar recenter is. Vergeleken met 1971-1972 heeft de ontkerkelijking bijgedragen aan de neergang met 8 zetels (in 2021) en 5 zetels (in 2023). Maar vergeleken met 2006 heeft verdergaande ontkerkelijking slechts 1 tot 2 zetels gekost.

Figuur 1 Ontkerkelijking en ontzuiling van stemgedrag, ten opzichte van vier eerdere ijkpunten
De lichtgrijze balken tonen wat er zou zijn gebeurd als de kerkelijke kiezers in dezelfde mate op het CDA zouden hebben gestemd. Zoals duidelijk te zien in Figuur 1 blijkt deze ‘ontzuiling van stemgedrag’ consequent een grotere kostenpost. Als kerkelijke kiezers in dezelfde verhoudingen op het CDA zouden hebben gestemd als in 1971-1972, zou dat in 2021 10 zetels extra hebben opgeleverd; vergeleken met 1986 zou het CDA in 2021 nog altijd 8 extra zetels hebben vergaard. Die aantallen liggen in 2023 nog hoger, vanwege het historisch slechte resultaat van het CDA bij die verkiezingen. Als alleen al de kerkgaande kiezers op het CDA zouden hebben gestemd in dezelfde mate als in 1986, zou het CDA 18 zetels hebben behaald.
Kortom, het is voor het CDA een groter electoraal probleem dat kerkgaande kiezers niet meer vanzelfsprekend op het CDA stemmen dan dat het aandeel kerkgaande kiezers is gedaald. Als het CDA de overgebleven kerkgaande kiezers meer aan zich had kunnen binden, zou de partij – ondanks de ontkerkelijking – fors groter zijn dan ze nu is.
Kerkgaande en niet-kerkgaande gelovigen
Kerkgangers zijn echter maar een deel van de christelijke bevolking. Een groot deel van de gelovigen gaat zelden tot nooit naar de kerk; dat geldt vooral voor de katholieken.5 Daarom maken we met Figuur 2 een verder onderscheid tussen niet-christelijke kiezers, kerkgaande katholieken, niet-kerkgaande katholieken, kerkgaande protestanten, en nietkerkgaande protestanten. Helaas kunnen we deze analyse alleen betrouwbaar doen voor het verkiezingsjaar 2023.6

Figuur 2 Ontkerkelijking en ontzuiling van stemgedrag, ten opzichte van vier eerdere ijkpunten, uitgesplitst naar denominatie en kerkgang
In elke simulatie is de ontzuiling van het stemgedrag van christelijke kiezers een belangrijke factor
Het linkerpaneel toont de gevolgen van ontkerkelijking. Zoals verwacht zijn die effecten beperkt. Het is vooral de neergang van kerkgang die het CDA in 2023 zetels heeft gekost; het aandeel niet-kerkelijke christenen is eerder iets gestegen en vormde zo een buffer tegen de neergang.
Het rechterpaneel splitst de groepen nog verder uit. In 2023 waren alle vijf de groepen minder geneigd om op het CDA te stemmen dan in elk van de vier ijkjaren. Dat geldt voor niet-religieuzen: hun dalende neiging om op het CDA te stemmen kostte het CDA vergeleken met 2006 zo’n 13 zetels, en zelfs vergeleken met de dip in 1998 nog ongeveer 2 zetels. Maar het zijn vooral de christelijke kiezers die het electorale verval van het CDA illustreren. In absolute zin leed het CDA de grootste verliezen onder de kerkgaande protestanten en de nietkerkgaande katholieken.
Wat betekent dit? De niet-christelijke kiezers werden vooral op electorale hoogtepunten van het CDA (1986, 2006) naar de partij getrokken. Maar de christelijke kiezers vormden al die tijd een stabielere factor. Dat is niet meer het geval; en hun verlies is een meer consistente verklaring voor de electorale neergang van het CDA. In elke simulatie is de ontzuiling van het stemgedrag van christelijke kiezers een belangrijke factor, vergeleken met zowel de goede tijden (1986, 2006) als de minder goede (1998). Het verlies van de stem van kerkelijke en niet-kerkelijke christenen heeft in eenzelfde mate bijgedragen aan de neergang.
Het zuiden
Is dit wellicht een noord-zuidverhaal? De eerder aangehaalde Van Kersbergen schreef in 2011: ‘Het verlies bij de Tweede Kamerverkiezingen van 2010 lijkt in hoge mate het gevolg te zijn van het onvermogen de steun in het (voormalig) katholieke zuiden van het land te mobiliseren en vast te houden.’7 Maar klopt dat wel?
Onze analyses suggereren een complexer verhaal. Eerst de kerkgang. Enerzijds lijkt de daling van de kerkgang harder te zijn verlopen onder katholieken dan onder protestanten. Maar anderzijds zien we nauwelijks verschil in de relatieve ontkerkelijking van katholieken in het noorden en katholieken in het zuiden. Dan de ontzuiling van het stemgedrag. Enerzijds zien we onder kerkgaande katholieken een wat sterker verval van de steun voor het CDA in het noorden dan in het zuiden. Anderzijds zien we onder niet-kerkgaande katholieken een wat sterker verval in het zuiden dan in het noorden. De verschillen zijn echter klein. Denominatie en kerkgang zijn veel belangrijkere verklaringen voor het verval het CDA dan de verschillen daarbinnen tussen noord en zuid.
Strijd om de kiezer
Terug naar de discussie over de rol van de C in het CDA. De electorale neergang van het CDA – niet alleen sinds de nadagen van de verzuiling in de vroege jaren zeventig, maar zelfs vergeleken met recentere jaren als 1998 en 2006 – is primair het vertrek van christelijke stemmers naar seculiere partijen. Van 2010 tot 2021 stroomden kiezers van het CDA vooral uit naar de VVD en de PVV.8 Tussen 2021 en 2023 verloor het CDA vooral aan NSC, en – in aanzienlijk mindere mate – aan niet-stemmers, de PVV, VVD en BBB. Dit zijn alle partijen die zich presenteerden zonder een uitgesproken christelijk profiel.9 Omgekeerd werd het CDA zelf in 2023 bovenmatig overwogen door kiezers van ChristenUnie, SGP en VVD, hoewel maar weinig kiezers daadwerkelijk naar het CDA trokken.10
Het lijkt een paradox dat het CDA vooral gelovige kiezers verloor aan vooral seculiere partijen. Toch is het minder verrassend wanneer we bedenken dat het CDA na 2010 tot tamelijk recent zich vooral profileerde langs seculiere thema’s. Nog onder het lijsttrekkerschap van Hoekstra werd in 2021 stevig ingezet op de thema’s economie en veiligheid, in de hoop om met klassieke VVD-thema’s de aan de VVD verloren kiezers terug te winnen. Deze tactiek bleek geen succes. Sterker nog, door zelf te benadrukken dat de verkiezingen draaiden om economie en veiligheid, maakte het CDA het makkelijker voor christendemocratische kiezers om over te stappen naar seculiere partijen met een sterker profiel op die thema’s.11 Dit bevestigde de waarschuwing van Van Kersbergen uit 2011, volgens wie ‘christendemocraten zich genoodzaakt zien steeds meer te concurreren op het politieke links-rechts spectrum, waar het voor hen electoraal moeilijker wedijveren is’.12
Het CDA heeft zich na 2010 tot tamelijk recent vooral geprofileerd langs seculiere thema’s
Sinds het aantreden van Henri Bontenbal staat het thema normen en waarden weer centraal in de boodschap van het CDA. De vraag is of dit de kans geeft om de verloren (christelijke) kiezers terug te winnen. Om dit te duiden kijken we naar wat kiezersonderzoekers ‘issue-eigenaarschap’ noemen. Kiezers associëren bepaalde onderwerpen sterk met een specifieke partij. Zo denken kiezers bij migratie snel aan de PVV, bij economie aan de VVD, en bij klimaat aan GroenLinks. Dit issue-eigenaarschap doet ertoe. Als het een partij lukt het eigen thema tot een centrale inzet van de verkiezingen te maken, is die partij spekkoper.13 Het CDA was traditioneel eigenaar van het thema normen en waarden. Het is een onderwerp dat onder leiders als Van Agt, Heerma sr. en vooral Balkenende veel aandacht kreeg, en nu dus weer met Bontenbal.
Het goede nieuws voor de partij is dat het CDA nog altijd sterk geassocieerd wordt met het thema normen en waarden. Na jarenlange verwaarlozing van het onderwerp wordt het CDA inmiddels echter wel op de huid gezeten door de ChristenUnie.14 Figuur 3 laat zien welke partijen kiezers beschouwen als eigenaar van het thema normen en waarden. Opnieuw splitsen we dit uit naar denominatie en kerkgang. Wat zien we? Met name onder (kerkgaande) katholieken is het CDA overtuigend eigenaar van het onderwerp. Onder kerkgaande protestanten is de ChristenUnie echter de duidelijke eigenaar. Onder niet-christelijke kiezers is het beeld diffuser, maar ook daar is het CDA nog altijd de eigenaar van dit thema.

Figuur 3 Issue-eigenaarschap van het thema normen en waarden, naar vijf groepen kiezers in 2023
Hiermee biedt de hernieuwde koers van het CDA mogelijkheden om een groter potentieel aan te boren. Als de partij erin slaagt om het thema normen en waarden te revitaliseren en het te agenderen als het centrale maatschappelijke probleem, geeft dit de partij een uitgelezen kans om de vele kerkgaande katholieken, nietkerkgaande gelovigen, en zelfs niet-christelijke kiezers, weer aan de partij te binden.
Conclusie
Demografische ontwikkelingen zijn een riskante basis voor een electorale strategie. Langetermijntrends laten zich niet vanzelfsprekend keren. Dat geldt zeker voor de ontkerkelijking in Nederland. Toch hoeft het CDA niet te wanhopen als de Nederlander de weg naar de kerken niet weet terug te vinden. Veel belangrijker dan ontkerkelijking is namelijk dat het CDA niet in staat is gebleken om gelovige kiezers aan zich te binden. Niet alleen ten opzichte van de vroege jaren zeventig, maar zelfs ten opzichte van de dip van 1998 en het recente hoogtepunt van de Balkenende-jaren.
De koers van een economisch rechtse law-and-orderpartij maakte het CDA inwisselbaar. Een meer kansrijke sleutel tot succes van het CDA ligt in het appel aan christelijke kiezers. De nog altijd grote potentie aan christelijke kiezers zal eerder gemobiliseerd worden door een CDA dat de eigen thema’s in een modern jasje steekt, dan door een CDA dat de verloren kiezers najaagt door de rivalen te kopiëren. Een focus op normen en waarden hoeft de ongelovige kiezer niet af te schrikken, maar kan juist kansen bieden.
Opgedragen aan de veel te vroeg overleden socioloog en statisticus Manfred te Grotenhuis (1967-2018).
Noten
- 1.Kees van Kersbergen, ‘De christendemocratische feniks en de moderne, niet-seculiere politiek’, in: Gerrit Voerman (red.), De conjunctuur van de macht Het Christen Democratisch Appèl 1980-2010. Amsterdam: Boom, 2011, pp. 197-216, 235-236, aldaar p. 201.
- 2.Hans Vollaard, ‘Het CDA moet de C loslaten en met NSC fuseren’, Christen Democratische Verkenningen 43 (2023), nr. 4, pp. 25-28.
- 3.Matthijs Kronemeijer, ‘CDA, ga samenwerking met kerken meer aan’, Christen Democratische Verkenningen 44 (2024), nr. 1, pp. 31-34.
- 4.Rob Eisinga, Albert Felling en Philip Hans Franses, ‘De afbrokkeling van het electoraat van (de voorlopers van) het CDA, 1965-1994’, Sociologische Gids 44 (1997), nr. 2, pp. 77-99; R.B. Andeweg, ‘Afscheid van de verzuiling?’, in: J.J.M. van Holsteyn en B. Niemöller (red.), De Nederlandse kiezer 1994. Leiden: DSWO Press, 1995; Manfred te Grotenhuis, Peer Scheepers en Rob Eisinga, ‘Welke gevolgen heeft ontkerkelijking? Een verkenning op het terrein van cultuur, demografie, economie, politiek en welzijn in Nederland tussen 1970 en 1995’, Tijdschrift voor Sociologie 19 (1998), nr. 1, pp. 5-32; Manfred te Grotenhuis, Tom van der Meer, Rob Eisinga en Ben Pelzer, ‘In hoeverre bepalen ontkerkelijking en gewijzigd stemgedrag onder kerkleden het aantal CDA-Kamerzetels?’, Christen Democratische Verkenningen 32 (2012), nr. 3, pp. 135-143.
- 5.Hans Schmeets en Marieke Houben, ‘Religieuze betrokkenheid in Nederland. Ontwikkelingen in religieuze betrokkenheid’, website CBS, 7 april 2023. Zie https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2023/religieuze-betrokkenheid-in-nederland/3-ontwikkelingen-in-religieuze-betrokkenheid
- 6.Dit is vanwege de onbetrouwbare meting van de uitgesplitste kerkgang in coronajaar 2021.
- 7.Van Kersbergen 2011, p. 202.
- 8.Zie onder andere Te Grotenhuis e.a. 2012.
- 9.Remko Voogd, Kristof Jacobs, Niels Spierings en Marcel Lubbers, De verkiezingen van 2023. Van onderstroom naar doorbraak: onvrede en migratie. Amsterdam: Stichting KiezersOnderzoek Nederland, 2024. Een andere manier om dit in kaart te brengen is door te kijken naar de partijen die kiezers overwegen. Wie in 2023 overwoog om op het CDA te stemmen, overwoog ook bovenmatig vaak om te stemmen op CU, VVD, SGP, NSC en BBB.
- 10.Remko Voogd en Tom van der Meer, ‘De verkiezingen van 2023 in longitudinaal perspectief’, in: Voogd e.a. 2024, pp. 20-30.
- 11.Tom van der Meer, ‘Rust én stilstand: het CDA in de Buma-jaren’, Christen Democratische Verkenningen 39 (2019), nr. 2, pp. 24-27.
- 12.Van Kersbergen 2011, p. 201.
- 13.Tom van der Meer en Alyt Damstra, ‘Associative issue ownership in a highly fragmented multiparty context: The Netherlands (2021)’, Acta Politica 59 (2024), pp. 498-518.
- 14.Alyt Damstra en Tom van der Meer, ‘Thema’s en partijen: de rol van issue ownership’, in: Voogd e.a. 2024, pp. 156-163. Op andere thema’s is CDA geen eigenaar. De partij staat bij landbouw op 2 (ver achter BBB), bij wonen op 3, en bij onderwijs, zorg, en leefbaarheid van de regio op 4.
© 2009-2026 Uitgeverij Boom Amsterdam
ISSN 0167-9155
De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.
Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

