Paas: CDA moet opkomen voor mensen die afgehaakt gemaakt zijn
Samenvatting
Nederland moet oppassen dat het geen tweestromenland wordt, met aan de ene kant de beslissers in de Randstad en aan de andere kant de afgehaakten. ‘Dat zijn mensen die niet zelf zijn afgehaakt, maar als het ware afgehaakt zijn gemaakt door de bestuurders. Ze zitten in de hoek waar de klappen vallen en hebben allemaal één ding ervaren, namelijk dat ze de overheid vooral niet kunnen vertrouwen’, aldus René Paas, commissaris van de Koning in Groningen.
Het interview is al even bezig en René Paas (1966) heeft een hele reeks situaties geschetst waarin mensen mede door overheidsbeleid in de ellende zijn terechtgekomen, als hij geëmotioneerd raakt. Gedupeerden van de Groninger gaswinning zijn dan al gepasseerd, net als slachtoffers van de toeslagenaffaire en mensen die in de woorden van Paas ‘uit de bijstand worden gepest’ omdat ze in de ogen van beslissers toch echt zelf wel hun broek kunnen ophouden. Paas is bij al deze mensen betrokken en houdt een rustig maar vurig pleidooi voor een overheid die weer naar mensen omziet en voor een CDA dat – indachtig de eigen wortels – weer een emancipatiebeweging wordt voor mensen die dat hard nodig hebben. Maar als vervolgens Ter Apel aan de beurt is, moet hij even stoppen wanneer de positie van de vluchtelingen daar ter sprake komt. ‘Asielzoekers moesten op een gegeven moment buiten op het gras slapen, omdat er binnen geen plek meer voor hen was. Het was zelfs zó erg dat het Rode Kruis aangaf ermee te stoppen, omdat ze onder dergelijke omstandigheden geen hulp meer konden bieden, waarna Artsen zonder Grenzen het overnam. Bij ons in Nederland! (…) En dan te bedenken dat dit al gebeurde onder het voor-vorige kabinet, waarin VVD, D66, CDA en ChristenUnie zaten. Er was geen sprake van een vluchtelingencrisis; nee, de overheid had zelf een opvangcrisis gecreëerd, waardoor Nederland als sociale rechtsstaat niet meer functioneerde en niet kon voldoen aan de eis van de rechter om niet meer dan tweeduizend asielzoekers per nacht in Ter Apel te herbergen. Helaas past dit in een patroon: de overheid is er onvoldoende voor mensen die haar het hardst nodig hebben.’
Christendemocratie
René Paas is een politicus en bestuurder die als het ware met de christendemocratie is opgegroeid. Geboren in Dordrecht en opgegroeid in de Noordoostpolder, waar zijn vader zowel afdelingshoofd ruimtelijke ordening bij de gemeente als Statenlid namens het CDA was. ‘Politiek was altijd aanwezig bij ons thuis. Aan tafel vertelde mijn vader over zijn werk. Hij kon me aanwijzen waar straks de trein zou rijden. Tegenwoordig noemen we dat de Lelylijn, en die is er nog steeds niet. Het was een vrolijk gereformeerd gezin; je mocht genieten van het leven, maar we kregen tegelijk een duidelijke opdracht mee: je moet er zijn voor mensen die het minder hebben getroffen dan jij. Dat heeft mijn verdere leven, in de politiek maar ook daarbuiten, gestempeld: we leven niet voor onszelf alleen, maar zijn er om elkaar te helpen. Voor mij is dat ook een van de kernwaarden van de christendemocratie.’

René Paas
Foto: Rien Linthout
Tijdens de studie rechten in Groningen werd u lid van het CDJA: was die keuze vanzelfsprekend, wellicht vanuit het christelijk geloof en gezin, of had het ook een andere jongerenorganisatie kunnen zijn?
‘Ik heb wel een keer op een andere partij gestemd, maar het CDJA ben ik onder andere via de toenmalige CDJA-voorzitter redelijk vanzelf in gerold. Binnen de jongerenorganisatie waren we bijna allemaal christen, maar we benadrukten tegelijk dat we geen christelijke maar een christendemocratische politiek voorstonden, dus geen politiek op basis van ons geloof maar op basis van onze waarden. Het CDJA was direct fantastisch. Op de middelbare school discussieerde ik al veel over alle dingen die dagelijks in de krant stonden, en toen kwam ik opeens in een hele groep jongeren terecht die daar ook mee bezig waren. Het waren de jaren tachtig, dus de tijd dat het CDA onder Lubbers volop als machtsmachine draaide. Dat was mooi, maar ergens ook verleidelijk, en wij zagen het als onze taak om de moederpartij bij de les te houden en vooral onverdund principieel op te komen voor onze uitgangspunten, waaronder publieke gerechtigheid, zeker voor mensen die het minder goed hadden. Terugblikkend zeg ik vaak dat ik van het CDJA nog meer geleerd heb dan van mijn studie, hoewel die ook heel vormend en voor mij bijzonder was. In mijn familie, die voortkwam uit veenarbeiders, bakkers en boerenknechten, ben ik de eerste geweest die op kamers ging om aan een universiteit te studeren.’
Bürgernähe
In de jaren negentig werd u actief in de lokale politiek, eerst als raadslid in Groningen en vervolgens als wethouder. Kon u die gerichtheid op de sociale kant van de politiek toen goed naar buiten brengen?
‘Groningen stond bekend om zijn sociale politiek en ook het CDA kwam op voor gehandicapten, mensen in armoede en hen die zonder werk zaten. Lokale politiek is bij uitstek de plek om heel dicht bij de mensen te komen. Als student in het CDJA dacht ik vooral theoretisch na over hoe we de wereld beter konden maken, maar als lokaal politicus fietste ik gewoon door de wijk en leerde allerlei mensen kennen die nauw bij de stad betrokken waren: degenen die de buurthuizen runden, die de spil van de sportvereniging waren en die gepassioneerd inspraken op bijeenkomsten over allerlei lelijke zaken die de gemeente in hun ogen over hen wilde uitstorten.’
Veel mensen gaat het in het leven niet om allerlei abstracte politieke idealen, maar om zekerheid in hun bestaan
‘In de lokale politiek heb ik geleerd dat betrokkenheid bij de problemen van mensen erg belangrijk is, maar ook dat je “nee” moet kunnen zeggen: je moet niet iets beloven wat je later niet kunt waarmaken, want dan verliezen mensen het vertrouwen in je. In 1996 werd ik wethouder en had ik een portefeuille die mijn schoonvader gekscherend “troep en ellende” noemde: alles wat in de openbare ruimte stoort, zoals losse stoeptegels en een hinderlijke boomwortel, maar ook opgebroken wegen en de zorg, waaronder die voor daklozen en verslaafden. Een directeur van de gemeente vatte het samen met het woord Bürgernähe: alles wat dicht bij burgers ligt. En zeker bij het opknappen van straten in woonbuurten heb ik geleerd dat wat heel groot is in de hoofden van buurtbewoners, voor een politicus of aannemer niet groot hoeft te zijn.
“Korte metten” noemden we de wandeling met buurtbewoners op vrijdagmiddag, vlak voordat de aannemer aan het werk ging. Dan moest je goed luisteren en kon je dingen als een fietsenstalling of een boom meteen regelen. Dat leverde tevreden buurtbewoners op. Als een project af was, liep ik vaak nog even met onze kinderwagen door de straat en kon ik de tevredenheid als het ware ophalen: voor de band tussen politicus en burger is dat erg belangrijk.’
Was deze Bürgernähe ook wat u als voorzitter van de vakbond CNV vanaf 2005 dreef?
‘Ook daar leerde ik dat het veel mensen in het leven niet gaat om allerlei abstracte politieke idealen, maar om zekerheid in hun bestaan. CNV-leden wilden gewoon dat hun vakbond opkwam voor hun bestaanszekerheid. Je kon verschil maken bij de cao-onderhandelingen en bij massaontslagen bij bedrijven. Wij grapten tegen elkaar over de échte betekenis van CNV: Centen Niet Vergeten. We konden nog zo hard werken om de wereld te verbeteren, maar onze leden zagen hun vakbondslidmaatschap in essentie als een verzekering. Vakbonden en de politiek zijn er om dicht bij de mensen te staan en er voor hen te zijn als het misgaat. Ik ontdekte dat er in dit opzicht weinig verschil was tussen de achterban van het CDA en die van het CNV. Ook de overheid moet zekerheid bieden. Sociale zekerheid is een belofte. Maar ik heb te vaak ontdekt dat de overheid die belofte breekt. Veel mensen zijn daardoor enorm teleurgesteld geraakt. Ze vertrouwen de overheid niet meer, omdat ze ervaren hebben dat de overheid hen laat barsten als het erop aankomt.’
In het geval van de toeslagenaffaire en de Groninger gaswinning is het zelfs zo dat de overheid burgers actief in de problemen bracht. Hoe kan het dat het zover is gekomen?
‘In de relatie tussen de overheid en haar burgers is iets opmerkelijks aan de hand. Aan de ene kant zijn de prestaties van de overheid en dan met name van uitvoeringsinstanties onberispelijk. Het gebeurt niet vaak dat de Sociale Verzekeringsbank of het UWV een uitkering niet op tijd overmaakt. Dingen zijn in Nederland goed geregeld. Aan de andere kant ben ik veel mensen tegengekomen die uit ervaring weten dat je op de overheid niet kunt rekenen. Dat geldt voor slachtoffers van de toeslagenaffaire, maar ook voor vele anderen, die bij wijze van spreken maar één kapotte wasmachine van de chaos af zitten. Zij hebben ervaren dat de overheid er alles aan doet om hen niet te helpen, en als ze toch in de bijstand terechtkomen, er alles aan doet om hen daaruit te pesten.’
In plaats van als steun ervoeren mensen de ‘keukentafelgesprekken’ als een barrière tussen hen en hulp
‘Toen ik voorzitter was van Divosa, de vereniging van voorzitters in het sociaal domein, maakte ik de invoering mee van de WWB-maatregelen, de Wet werk en bijstand, die opgegaan is in de Participatiewet. Zelfs in het strafrecht kennen we geen minimumstraffen, maar daar werden ze gewoon ingevoerd. De maatregelen waren vaak gericht op mensen die moeite hebben met lezen en schrijven, of slecht Nederlands spreken. Maar als ze één fout maakten – als ze bijvoorbeeld iets verkeerd invulden, iets te laat meldden of netto en bruto door elkaar haalden –, moesten ze niet alleen het te veel ontvangen bedrag terugbetalen, maar ook nog eens een flinke boete. Ik maakte kennis met het fenomeen “keukentafelgesprekken”. Het klinkt sympathiek, maar ouderenbonden adviseerden hun leden al snel om in die gesprekken met ambtenaren vooral níét te melden dat ze nog familie of vrienden hadden, want dan konden ze de hulp van de gemeente wel vergeten. In plaats van als steun, ervoeren mensen die gesprekken als een barrière tussen hen en hulp.’
Onderdaan
De overheid betoont zich hardvochtig?
‘Leden van Divosa, directeuren dus, vroegen elkaar weleens of ze door hun eigen dienst geholpen zouden willen worden. Natuurlijk niet! Want de Sociale Dienst is geen pretje. Als ergens het begrip “onderdaan” van toepassing is, dan is het bij mensen die aangewezen zijn op een bijstandsuitkering. Behalve klassieke vrijheidsrechten staan ook de sociale grondrechten in onze grondwet. Maar de sociale rechtsstaat schiet vaak tekort. De regels zijn veel te ingewikkeld en vaak beperkend. Ten aanzien van bijvoorbeeld het recht op een woning, op zorg en op inkomen komt de overheid pijnlijk vaak haar verplichtingen aan haar inwoners niet na. Dat zijn verplichtingen die worden gegarandeerd in de grondwet en in belangrijke verdragen.’
Tegelijk maakt u zelf deel uit van die overheid, eerst als wethouder en sinds 2016, na uw Divosa-voorzitterschap, als commissaris van de Koning.
‘Dat is zo. Veel mensen die werken bij de overheid, in de zorg of in het onderwijs willen mensen helpen. Ik ook. Er gaat dus iets mis als juist zij trots zijn op de momenten waarop dat volgens hen “ondanks de regels” lukte. Ik vraag mensen vaak waarover ze opscheppen op verjaardagsfeestjes. Het zijn altijd dit soort verhalen. Terwijl de regels er toch juist waren om hun werk mogelijk te maken. We hebben met alle goede bedoelingen in Nederland een spinnenweb van regels gemaakt. Er bestaat een Atlas van Afgehaakt Nederland.1 Maar de mensen die daarin worden beschreven, zijn niet zélf afgehaakt; ze zijn afgehaakt door ons. Jaren geleden zag ik een documentaire waarin ze met een negatieve term ‘de onrendabelen’ werden genoemd: mensen die niet slim of vaardig genoeg zijn om zelf hun geld te verdienen.2 We moeten ze helpen, maar we laten ze vaak aan hun lot over.’
Mede met steun van het CDA is van de volkshuisvesting een woningmarkt gemaakt
Maar hoe is dit gebeurd? Kan het zijn dat vanuit ideologie keuzes worden gemaakt die in de praktijk verkeerd uitpakken? De toeslagen waaruit de toeslagenaffaire is voortgekomen, zijn mede door het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA bedacht en door de kabinetten-Balkenende ingevoerd, omdat we minder generieke en meer specifieke ondersteuning wilden geven.
‘Ideologie speelt zeker een rol. Ook het CDA is warm voorstander van persoonlijke verantwoordelijkheid, van zelfredzaamheid en van een verantwoordelijke samenleving. De stap naar een kleinere overheid is dan snel gezet. De tijdgeest met de dominantie van het neoliberalisme speelde in de afgelopen decennia eveneens een grote rol. Maar inmiddels voelt een grote groep mensen zich in de steek gelaten: mensen die op de wachtlijst staan voor zorg of voor een huis. Mede met steun van het CDA is van de volkshuisvesting een woningmarkt gemaakt. En ook de zorg hebben we vermomd als een markt, terwijl we nu ontdekken dat we in de zorg toch beter kunnen samenwerken dan concurreren.’
Neoliberalisering en privatisering spelen dus een rol bij het feit dat de overheid haar kerntaken niet meer kan waarmaken: de overheid laat taken los, maar vertrouwt de markt toch niet, waardoor ze alles wil controleren?
‘Een groot aandeel in het spinnenweb van regels heeft de juridisering van de samenleving, waarbij alles en iedereen gecontroleerd moet worden. Op een of andere manier vinden wij het in Nederland veel erger dat iemand geld zou ontvangen waarop hij misschien geen recht heeft, dan dat iemand geen geld ontvangt waarop hij wél recht heeft. Deze combinatie heeft tot een institutioneel wantrouwen richting mensen geleid, dat in de toeslagenaffaire, maar bijvoorbeeld ook rond het Groninger gas, enorm veel pijn en schade heeft veroorzaakt. Het heeft Groningers cynisch gebeukt, omdat velen tot op vandaag op schadevergoeding wachten en in onzekerheid zitten. En vaak zijn juist de mensen die het minder goed hebben hiervan de dupe.’
De aardbevingen hebben toch niet alleen arme mensen getroffen?
‘Niet alleen, maar in het oosten van de provincie Groningen wonen relatief veel mensen die het toch al niet breed hadden. Daar was een goedkoop koophuis jarenlang een mooi alternatief voor een huurhuis. Natuurlijk waren dat niet de beste huizen: niet erg stevig en slecht geïsoleerd. Juist die huiseigenaren zitten vaak met de handen in het haar. Versterking, sloop en vervangende nieuwbouw zijn ingrijpende processen die jarenlang duren en gepaard gaan met grote onzekerheid. Ze zaten gevangen in hun huis, want ze konden het tijdenlang aan de straatstenen niet kwijt: wie wil er nou een huis waarvan de toekomst onzeker is? Veel van onze inwoners worden nog steeds gedwongen om tijd en energie te steken in de frustrerende en vaak onbegrijpelijke correspondentie met de veelkoppige overheid.’
‘Dit komt nog eens bovenop een langdurige, pijnlijke geschiedenis. Jarenlang is namelijk ontkend dat gaswinning aardbevingen kon veroorzaken, of schade, of gevaar. Schade na aardbevingen werd steevast toegeschreven aan het drukke verkeer, de slappe grond, de waterstand of gebreken aan het huis. Vuistdikke en kostbare rapporten van bouwkundigen en juristen, betaald door de NAM, leidden jarenlang vooral tot één conclusie: geen aardbevingsschade. De overheid die mensen had moeten beschermen, gaf niet thuis. Vind je het gek dat mensen dan afhaken? Niemand doet dat met opzet. Maar het resultaat is gewoon gruwelijk, en ik aarzel niet om voor deze behandeling door de overheid het woord “mishandeling” te gebruiken.’
Groningen is spreekwoordelijk voor ‘heel ver weg’, en dat heeft effecten
Ter Apel aan de Noordzee
Wat moet er gebeuren om dit te veranderen?
‘De overheid moet zich weer dienstbaar opstellen ten opzichte van haar burgers, maar er moet ook iets gebeuren tussen de verschillende overheden zelf. Want wat bij de gaswinning en de asielproblematiek eveneens een rol speelt, is de regionale component. Ik kom bijna elke week in Den Haag, en steevast zegt iemand: “Zo meneer Paas, helemaal uit Groningen?” Groningen is spreekwoordelijk voor “heel ver weg”, en dat heeft effecten. Nederlanders vonden de aardbevingen gewoon “pech voor die Groningers”. Iets vergelijkbaars geldt voor Ter Apel. Een bekend Haags gemeenteraadslid zei geen asielzoekers in Den Haag te willen opvangen, want “dan worden we een Ter Apel aan de Noordzee”. Dat is ongelooflijk pijnlijk voor het dorp dat het enige aanmeldcentrum in Nederland huisvest en daardoor wordt opgezadeld met het oplossen van een nationaal probleem. Was dat ook gebeurd als Ter Apel bij Amsterdam lag?’
‘Ik doe met gesprekspartners uit de Randstad weleens de pubquiz. Welk deel van de Nederlanders woont in de Randstad, en welk deel van het bbp wordt daar verdiend, vraag ik dan. Volgens het CBS is het antwoord op beide vragen: ongeveer de helft. De andere helft van de inwoners, buiten de Randstad, verdient dus de andere helft. Maar grote, met belastinggeld betaalde investeringen komen vooral in de Randstad terecht, omdat dat “rendabeler” zou zijn. Het Haagse beeld blijft hardnekkig dat regiobestuurders hun hand komen ophouden voor zogenaamd “onrendabele” projecten. Alweer dat “onrendabel”, maar deze keer geografisch bepaald. De Erasmus Universiteit Rotterdam heeft een KansenKaart gemaakt die pijnlijk duidelijk maakt hoe scheef de kansen in Nederland verdeeld zijn.3 Door overheidsbeleid. Het cynisme dat daardoor ontstaat bij “onrendabele” inwoners en in “onrendabele” regio’s, heeft de totale politiek vatbaar gemaakt voor antipolitiek. En voor partijen die voor bijna alles de schuld geven aan mensen die toch al kwetsbaar zijn: asielzoekers.
U komt op voor mensen in de regio, maar veel mensen in de regio verzetten zich juist tegen de komst van azc’s die als gevolg van de Spreidingswet, nodig om Ter Apel te ontlasten, in hun gemeenten komen.
‘Wat in de politiek een “asielcrisis” wordt genoemd, is in werkelijkheid een opvangcrisis. De noordelijke provincies voldoen aan de taakstelling van de Spreidingswet. Als dat overal zou gebeuren, hadden we geen asielcrisis.’
‘Het trieste is dat politici door het negatieve sentiment in de samenleving weinig meer durven. Maar populisme is de koorts en niet de ziekte.
Populisme ontstaat doordat mensen terecht het gevoel hebben dat er onvoldoende naar hen is geluisterd. Als de overheid niet levert, is het niet gek dat mensen achter politici aanlopen die met ogenschijnlijk makkelijke oplossingen komen om de problemen aan te pakken, maar hen uiteindelijk in de kou laten staan.’
‘Dat geldt voor Groningers die niet serieus genomen zijn rond de schade aan hun huizen, maar ook voor mensen die bang zijn voor de overlast van een asielzoekerscentrum dat vlak bij hun huis zal verschijnen. En het geldt voor heel veel praktisch opgeleiden, die het idee hebben dat de theoretische mensen in Den Haag beslissen over iets waar deze zelf geen last van hebben, maar zíj wel. Voor al deze mensen moet de politiek opkomen: maatregelen nemen en je niet beperken tot makkelijke slogans waarmee je de tegenstelling alleen maar aanwakkert.’
Populisme is de koorts en niet de ziekte
Emancipatiebeweging
Wait verwacht u in dit opzicht van het CDA, dat – via weliswaar een minderheidskabinet – weer mede aan de stuurknuppel zit? Bent u tevreden over de christendemocratische inbreng in het coalitieakkoord?
‘Ik heb niet veel behoefte om de christendemocratische inbreng in het coalitieakkoord te becommentariëren. Wat ik wel graag zou willen is dat de christendemocratie zich weer ontpopt als de emancipatiebeweging die ze ooit was. Juist voor mensen die zich zorgen maken, omdat ze in de overheid teleurgesteld zijn geraakt. Dat zijn mensen in grote steden, maar ook in Oost-Groningen, waar veel problemen bij elkaar komen: armoede, werkloosheid, jeugdzorg en gezondheid. Tegelijk betreft het mensen in veel andere regio’s die zich achtergesteld voelen. Mensen die maar moeilijk de eindjes aan elkaar kunnen knopen en bang zijn hun bestaanszekerheid te verliezen. Het betreft mensen die bang zijn dat hun dochter door asielzoekers wordt verkracht, maar ook legale vreemdelingen die maar moeilijk kunnen integreren.’
Het CDA moet meer opkomen voor hen die zich achtergesteld voelen?
‘De geschiedenis van Nederland in de laatste twee eeuwen staat bol van de emancipatiebewegingen. Steeds opnieuw bonkten achtergestelde groepen op de deur omdat ze wilden meedoen. Dat ging altijd gepaard met onrust en spanning, maar het bracht vooruitgang. De emancipatie van de protestantse “kleine luyden”, de socialisten, de katholieken en de liberalen ging niet altijd zachtzinnig. Ze eisten zeggenschap, en dat deden ze zeker niet altijd even gepolijst en aangenaam. De emancipatie van vrouwen en etnische groepen vergde actie. Nooit ging het vanzelf, maar het ging vooruit.’
‘Met een beetje goede wil zijn de grote verschuivingen in de politiek van de afgelopen jaren te zien als de vertaling van het ongenoegen van bevolkingsgroepen die tot nu toe achtergesteld zijn. Groepen die de verliezers waren bij de politieke en economische ontwikkelingen van de afgelopen jaren. Die in de gebieden wonen waar voorzieningen verdwenen. Die boos en gefrustreerd werden door de onbegrijpelijke en vervreemdende bureaucratie waarvan ze afhankelijk waren. De slachtoffers van de toeslagenaffaire. De mensen die het wachten moe zijn in hun kapotte huizen. De veehouders die niks verkeerd hebben gedaan, maar nu te boek staan als PAS-melders en die ineens merken dat de toekomst van hun bedrijf onzeker is geworden. Al die mensen die hebben ervaren dat de instanties die bedoeld waren om hen te helpen, hen opsloten in een door mensen gemaakt doolhof. Ik hoop dat het CDA hun bondgenoot kan zijn.’
Sociaal-conservatief
‘Ik moet vaak aan mijn leermeester Alfons Dölle denken, die fractievoorzitter van het CDA in Groningen was toen ik raadslid werd. Ik heb veel van hem geleerd en was erg op hem gesteld. Ik was blij toen ik Henri Bontenbal bij zijn aanvaardingsspeech op het CDA-congres Dölle hoorde aanhalen. Dölle stond een sociaal-conservatieve koers van het CDA voor, en daar kan ik alleen maar mee instemmen.’
Helaas wordt het begrip ‘sociaal-conservatisme’ gekaapt door politici en partijen die misschien wel conservatief zijn, maar allerminst sociaal
‘Helaas wordt dit begrip tegenwoordig gekaapt door politici en partijen die misschien wel conservatief zijn, maar allerminst sociaal. “Sociaal-conservatief” vind ik een mooi etiket, omdat het uitgaat van de persoonlijke verantwoordelijkheid van mensen om het goede voor zichzelf en elkaar te zoeken, maar ook voor een overheid die er als schild voor de zwakken is.’
‘Die sociale koers is een kwestie van morele intelligentie. Die moet het CDA laten zien. Voor al die mensen die zich in de overheid teleurgesteld voelen en voor de regio’s die achtergesteld zijn. Daarom pleit ik ervoor dat het CDA voorstelt om de huidige spectaculair lage staatsschuld aan te wenden om de Lelylijn nu eens daadwerkelijk aan te leggen. Omdat dat de kansen voor mensen in Noord-Nederland enorm zou verbeteren. Voor investeringen die langdurig renderen kun je verantwoord lenen.’
‘Als je groepen mensen en regio’s blijft teleurstellen, komen mensen bij partijen terecht die zich misschien sociaal-conservatief noemen, maar die in feite asociaal zijn en niets uitrichten, ook niet voor de mensen voor wie ze zeggen op te komen. Dan krijgen we een tweestromenland waarin een grote kloof gaapt tussen groepen die meedoen en groepen die allang zijn afgehaakt. Met de VS als voorbeeld is dat een reële zorg, die ook het CDA zich hard moet aantrekken.’
Noten
- 1.Josse de Voogd en René Cuperus, Atlas van Afgehaakt Nederland. Over buitenstaanders en gevestigden. Den Haag: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, december 2021.
- 2.Hans Heijnen en Marcel van Dam, De onrendabelen [film]. Hilversum: VARA, 2009. Zie https://vimeo.com/138363033
- 3.Zie www.kansenkaart.nl.
© 2009-2026 Uitgeverij Boom Amsterdam
ISSN 0167-9155
De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.
Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

