Waarom Europa niet wil en kan samenklonteren
Samenvatting
Europa heeft in weerwil van zijn eigen zelfverstaan moeite met solidariteit. Sterker nog, het heeft er een afkeer van. Samenklonteren kan het niet en wil het niet. Het waterige karakter van de Archipel Europa laat zich niet tot een eenheid smeden. Alle pogingen om dat wel te doen roepen weerstand op.
De geest van Europa haat het samenklonteren. Dit idee ontleen ik aan het werk van de Italiaanse filosoof Massimo Cacciari.1 Op zijn beurt ontleende deze de metafoor van het samenklonteren aan de kunstfilosoof Alberto Savinio. Beide namen zullen bij de meeste lezers van dit tijdschrift niet zo bekend zijn, ook al was Cacciari langjarig burgemeester van Venetië en Savinio niemand minder dan de broer van de vermaarde ‘metafysische’ schilder Giorgio de Chirico. De meeste mensen kennen deze namen echter niet of niet meer. Een idee dat ontspruit aan de geest van denkers die bij het grote publiek of bij huidige politici amper bekend zijn of in vergetelheid zijn geraakt, zal zelf ook niet al te bekend zijn.
Dat is het grote probleem met Europa. Het weet niet waardoor het gedreven wordt. Weliswaar haat Europa het samenklonteren, maar het weet het niet van zichzelf. Het gevolg is dat het voortdurend iets wil waar het een grondige, niet onderkende hekel aan heeft. Dat wordt vooral duidelijk als het denkt dat het door bijvoorbeeld virussen en Russen bedreigd wordt. Je zou dit punt ook heel anders kunnen formuleren: met zijn stuitende gebrek aan zelfkennis weigert het Europese continent, zeker als de nood aan de man of vrouw is, onder ogen te zien dat het helemaal geen continent is.
Ik bedoel dit letterlijk: Europa is geen terra continens. Anders dan Azië, Afrika of Amerika kent het geen ‘ononderbroken land’. Daarom kunnen de continenten die wel echte continenten zijn (omdat hun grond zo eindeloos ver reikt) Europa niet echt serieus nemen. Europa is in de ogen van de echte continenten niet meer dan een onsamenhangende en onbeduidende archipel waarvan de eilanden het best te begrijpen zijn als singuliere, opzichzelfstaande monaden die hooguit nog enige culturele of gastronomische waarde hebben, iets wat iedere Europese toerist meteen begrijpt en apprecieert, maar waar een meer militair ingestelde geest alleen maar een afkeer van kan hebben.
Kijk nog eens op een ouderwetse kaart van onze planeet. Nergens anders dringt de zee zo diep door in de landmassa’s als in Europa. Echte continenten, zelfs een relatief klein continent als Australië, worden omringd door water. Europa is zelf door en door waterig. Dit waterige aspect zou ons moeten beletten om in verband met Europa nog van een ‘landmassa’ te spreken. Landmassa’s zie je pas als je ver naar het oosten reikt, ergens voorbij de lijn Archangelsk-Astrachan. Geen wonder dat het militaire denken dat uit die landmassa’s komt heel anders is. De vijand, zo weten ze, kan oprukken, maar zal vroeg of laat in de oneindigheid van die landschapsklonten verdwijnen. De soldaat weet in continenten het land altijd aan zijn of haar zijde. In Europa moet de soldaat het wat dat betreft alleen doen.
Heelheid en saamhorigheid zijn van meet af aan verdacht
Als ik dus in navolging van de voornoemde denkers zeg dat de Europese geest een afkeer van het samenklonteren heeft, dan bedoel ik vooral dat hij moeite heeft met verbinden en aan elkaar plakken, met iets wat we met een ouderwets woord ook wel ‘solidariteit’ noemen. De Europese geest hecht juist aan wat niet aan elkaar gehecht kan worden, aan wat weigert een geheel te worden. Hij wil altijd maar weer dingen uit elkaar halen, iets wat wezenlijk met de door hem zo hoog geachte analytische rationaliteit te maken heeft. Heelheid en saamhorigheid zijn van meet af aan verdacht, want te mythisch en te irrationeel, ook al weet de Europese geest echt wel, zeker dus als de nood aan de man of vrouw is, dat je niet helemaal zonder beide kunt.
Horreur
Geen donder geven om saamhorigheid. Laat ik een getuige oproepen. In de jaren negentig schreef de onlangs overleden Frits Bolkestein, algemeen erkend als een scherpzinnige intellectueel en een prominente liberaal, een aantal stukken in landelijke dagbladen over de vraag of landen in Oost-Europa zich met de West-Europese landen zouden moeten verenigen in de NAVO.2 De horreur die de goede Bolkestein voelde bij de gedachte alleen al, sijpelt door al deze stukken. Waarom zou je de Russen ‘verder willen vernederen door de NAVO uit te breiden tot aan de grenzen van de voormalige Sovjet-Unie?’ Het opnemen van de Baltische staten achtte hij onwenselijk, niet alleen omdat zij ooit tot de Sovjet-Unie behoorden, iets wat voor de Russen ‘gevoelig’ ligt, maar ook omdat deze landjes, misschien wel vanwege het werkelijk totale gebrek aan landmassa, ‘militair onverdedigbaar zijn’. Soortgelijke moeilijkheden zag hij ook voor grotere landen als Polen, Hongarije of Roemenië in het verschiet liggen. Laten we maar zwijgen over Oekraïne, een land waar, zo wist Bolkestein, de bakermat van Rusland ligt. ‘Uitbreiding van de NAVO’, zo concludeerde hij, is een slecht idee en ‘komt alleen de Verenigde Staten ten goede’. Een en ander ‘zal de stabiliteit van Europa niet vergroten maar verkleinen’. Al met al dient de conclusie te zijn dat de ‘de kosten-batenanalyse van NAVO-uitbreiding zwaar negatief’ is.
Je kunt zeggen van Bolkestein wat je wilt, maar hij verzette zich aanvankelijk tegen de verdere samenklontering van de archipel tot één militair bondgenootschap en was in dit opzicht, net als andere politici van zijn generatie (Kohl, Merkel, Chirac, Mitterrand, enzovoort), een waarlijk representant van de Europese geest. Dat Bolkestein later (na onder meer het drama rondom de MH17 en de opkomst van de ‘kleptocraat’ Poetin) een andere positie innam, laat dat onverlet.
Nog in 2016 bleek die antihomogene geest over de Lage Landen te waaien. Van enige solidariteit met die arme Oekraïners was alhier geen spoor te bekennen toen er een referendum werd gehouden over de vraag of er een associatieovereenkomst tussen Oekraïne en de Europese Unie moest komen. Een ruime meerderheid van 62 procent van onze landgenoten stemde tegen. Nu was de opkomst niet groot, maar wel groot genoeg voor het halen van de kiesdrempel. De meeste mensen namen niet eens de moeite om naar de stembus te gaan. Ze vonden de vraag even oninteressant als irrelevant. Bovendien, het ging slechts om een associatieovereenkomst, niet over de vraag of Oekraïne daadwerkelijk lid van de Europese Unie, laat staan van de NAVO, diende te worden.
Nog geen tien jaar geleden wist men in dit land dat sommige landen weliswaar bij lessen aardrijkskunde op de middelbare school tot Europa werden gerekend, maar dat ze er absoluut niet bij hoorden. In geofilosofische termen: men moest van samenklonteren niets hebben.
Angst
De Europese geest kan niet anders dan erkennen dat diversiteit – letterlijk: het inslaan van vele richtingen – zijn onuitwisbare kenmerk is. Meningsverschil is, anders geformuleerd, zijn wezen. Hij lijkt het echter af en toe te vergeten. Pogingen om toch een eenheid in de veelheid te bewerkstelligen doen daarom altijd kunstmatig aan. Ze verzanden in bureaucratie en technocratie en hebben alleen daarom al nooit op veel enthousiasme onder de burgers en onderdanen kunnen rekenen. De klachten over de bemoeizucht en de regeldrift van de Europese Gemeenschap, of ze nu terecht of onterecht zijn, houden aan. Net als de klachten over de eenheidsmunt, de aan alle landen opgelegde staatsschuldenlimiet of de sponsoring van het ‘zuiden’ door het ‘noorden’. Nergens zie je dat de geest werkelijk begeesterd is geraakt door iets wat eenheid bevordert. Een gezamenlijk militair leger lijkt, ook in deze turbulente tijden, volstrekt lachwekkend.
Het hele populisme in Europa is te begrijpen als een antwoord op de aanhoudende pogingen van de technocratische elites om toch een eenheid op te leggen aan een regio die zich daar in ieder geval in geofysisch opzicht niet voor leent. Ik zeg niet dat die populisten gelijk hebben, verre van dat, maar ze snappen tenminste iets van de individualiteit en singulariteit van die monaden. Europa heeft zoveel uiteenlopende aspecten dat je dit werelddeel, zoals de Duitse filosoof Peter Sloterdijk het stelt, ook als een ‘continent zonder eigenschappen’ kunt lezen. De huidige Europeaan verbindt zich niet meer aan de grote geschiedenis die nog een soort van identiteit zou kunnen verschaffen, en wil in feite verlost worden van iedere overkoepelende plicht. De Europeaan wil eeuwigdurende vakantie en laat het vechten voor de grote zaken die er wel toe doen het liefst aan anderen over.3 Je zou Europa, zoals we al zagen, ook kunnen zien als een continent zonder continens. Wie door Europa reist en erover schrijft maakt een boek dat, net als de boeken van Geert Mak of Hans Magnus Enzenberger, niet anders dan eclectisch en caleidoscopisch kan zijn. Nu eens wordt het licht geworpen op die regio en dan weer op deze regio, en nooit krijg je een gevoel dat er iets is wat al die beschouwingen, hoe interessant ook, aan elkaar bindt.
Europa kan niet anders dan diversiteit omarmen, maar heeft tegelijkertijd angst voor zijn eigen wezen
Natuurlijk heeft de Europese geest altijd compensatie gezocht voor zijn eigenschapsloosheid. In plaats van op het land zocht hij vooral de macht op zee. Zijn wereldheerschappij, zijn dominium mundi, was altijd maritiem van aard.4 Dat had goede en slechte kanten. Tegenover de genadeloze onderdrukking van volkeren aan de andere kant van de oceaan, stond de hem kenmerkende openheid ook relatief ongekende democratische experimenten toe, ook al waren dit altijd angstige processen. Zoals we weten, heeft de democratie in Europa ook nooit veel moeite gehad zichzelf snel om zeep te helpen als – en daar hebben we die uitdrukking weer – de nood aan de man of vrouw is. In dat opzicht zou je Europa toch één onmiskenbare eigenschap kunnen toedichten: de geest ervan heeft altijd een angst voor zichzelf gehad en dat is iets wat die echte continenten met hun landmassa’s en hun autocratische leiders goed in de smiezen hebben. Europa haat het samenklonteren en kan niet anders dan diversiteit omarmen, maar heeft tegelijkertijd angst voor zijn eigen wezen, omdat stiekem het vermoeden bestaat dat daarin niet zijn kracht kan bestaan. Laten we daarom tot slot die Italiaanse filosoof nog eens te hulp roepen waarmee ik deze beschouwing opende. Juist vanwege de trouweloze karakterzwakte van een geest die nooit vaste grond onder de voeten heeft gekregen, heb je volgens Cacciari in Europa altijd de neiging de vaste grond bij elkaar te fabuleren en dus te denken dat je met strenge wetten greep op de Europese vluchtigheid kunt krijgen. Daarbij wordt steevast een beroep gedaan op een nieuwe rationaliteit met universele pretenties. Ook andere werelddelen moeten de Europese waarden omarmen. Europa heeft altijd waarden als democratie, diversiteit en vrijheid naar alle uithoeken van de wereld willen exporteren. De ironische paradox hier is dat Europa zelf heel divers is, maar die diversiteit niet buiten zichzelf accepteert. Het beste, zo denkt de Europeaan, zou zijn als de hele wereld (als) Europa wordt. Het trekt zich daarbij vanzelfsprekend niet al te veel aan van de stugheid en viscositeit van de onbeweeglijke landmassa’s elders. Ook daar zullen de mensen, als het aan Europa ligt, in beweging komen, en omdat de hele wereld als Europa moet worden, is het ook altijd weer bereid anderen hard tegen de schenen te schoppen. Op heel veel mededogen hoeft het continent zonder continens niet te rekenen, nu de machtsverhoudingen in de wereld grondig aan het veranderen zijn.
Noten
- 1.Massimo Cacciari, Der Archipel Europa. Keulen: Dumont, 1998, p. 16.
- 2.Veel van die stukken verschenen in kranten als NRC en de Volkskrant en werden later gebundeld in: Frits Bolkestein, Boren in hard hout. Amsterdam: Prometheus, 1998. De geciteerde passages in wat volgt komen uit deze bundel.
- 3.Peter Sloterdijk, Der Kontinent ohne Eigenschaften. Lesezeichen im Buch Europa. Berlijn: Suhrkamp, 2024, p. 22.
- 4.Zie voor uitvoerige discussie: René ten Bos, Water. Een geofilosofische geschiedenis. Amsterdam: Boom, 2014, pp. 157-186.
© 2009-2026 Uitgeverij Boom Amsterdam
ISSN 0167-9155
De artikelen uit de (online)tijdschriften van Uitgeverij Boom zijn auteursrechtelijk beschermd. U kunt er natuurlijk uit citeren (voorzien van een bronvermelding) maar voor reproductie in welke vorm dan ook moet toestemming aan de uitgever worden gevraagd:
Behoudens de in of krachtens de Auteurswet van 1912 gestelde uitzonderingen mag niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën, opnamen of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
Voor zover het maken van kopieën uit deze uitgave is toegestaan op grond van artikelen 16h t/m 16m Auteurswet 1912 jo. Besluit van 27 november 2002, Stb 575, dient men de daarvoor wettelijk verschuldigde vergoeding te voldoen aan de Stichting Reprorecht te Hoofddorp (postbus 3060, 2130 KB, www.reprorecht.nl) of contact op te nemen met de uitgever voor het treffen van een rechtstreekse regeling in de zin van art. 16l, vijfde lid, Auteurswet 1912.
Voor het overnemen van gedeelte(n) uit deze uitgave in bloemlezingen, readers en andere compilatiewerken (artikel 16, Auteurswet 1912) kan men zich wenden tot de Stichting PRO (Stichting Publicatie- en Reproductierechten, postbus 3060, 2130 KB Hoofddorp, www.cedar.nl/pro).
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.

